zondag 5 januari 2014

Koning Radboud I

Koning Radboud I was de vader van Aldgillis II. (www.genealogieonline.nl/stamboom-bavo-van-der-molen)


Koning Radboud I

(Uit: http://smitzimm.woelmuis.nl/843095943.htm)

Radboud (koning) Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Koning van Friesland
Periode ca 680 - 719
Voorganger Aldgisl
Opvolger Poppo (?)
Vader onbekend
Moeder onbekend
Radboud of eigenlijk Radbod (Fries: Redbad) (-719) was een koning van de Friezen. Hij wordt in kronieken en heiligenlevens genoemd als koning of hertog van Friesland.
Geschiedenis: Over Radboud zijn jeugd en jonge jaren is niets bekend. Hoewel in latere kronieken wordt beweerd dat hij een zoon van Aldgisl was, bestaat hiervoor in het bronmateriaal uit die tijd geen bewijs. Hij groeide ongetwijfeld op in een familie die tot de Friese elite behoorde en kwam niet eerder aan de macht dan circa 680, na de dood van Aldgisl.
Het begin van Radboud zijn bewind verliep teleurstellend. Er waren conflicten met het Frankische Rijk en hij moest genoegen nemen met een ondergeschikte rol ten opzichte van zijn machtige buur. Tussen 688 en 695 leed hij een aantal nederlagen tegen de Frankische hofmeier Pepijn van Herstal, onder andere in de slag bij Dorestad. Halverwege de negentiger jaren sloten Radboud en Pepijn vrede, waarbij Radboud afstand deed van grondgebied ten zuiden van de Oude Rijn.Onderdeel van deze vrede was het sluiten van een huwelijk tussen Radbouds dochter Theudesinda met Grimoald, een zoon van Pepijn van Herstal, die in 714 werd vermoord. Van dit huwelijk is niet bekend of er kinderen zijn geboren.
Frankische Burgeroorlog. De burgeroorlog die na Pepijns dood (16 december 714) uitbrak, bood Radboud nieuwe kansen. Hij wist Utrecht en Dorestad op de Franken te heroveren en steunde in de burgeroorlog de Neustrische koning Chilperik II die om de macht streed met de erfgenamen van Pepijn. In 716 voer hij zelfs met een vloot de Rijn op, waar hij in de slag bij Keulen de Frankische hofmeier Karel Martel overwon, maar even later werden hij en Chilperik door dezelfde Karel verslagen in de slag bij Amel. Winfried (Bonifatius) trof volgens zijn hagiograaf Willibald tijdens zijn reis van Londen naar Dorestad onder meer door de twist verwoeste kerken aan en bezocht Radboud in Utrecht.[1][2]
Radboud maakte plannen om andermaal het Frankenrijk binnen te vallen en trok daartoe een groot leger samen. Hij kreeg evenwel daartoe niet meer de gelegenheid. Door een ernstige ziekte getroffen stierf Radboud in 719.[3]
Opvolging en afstammelingen: Uit de primaire bronnen is niet bekend wie Radboud opvolgde. Door latere historici wordt de Friese legeraanvoerder Poppo soms wel als diens opvolger beschouwd. De Frankische tegenstander van Radboud, Karel Martelkon kort na zijn dood eenvoudig het Friese rijk binnenvallen en een deel van de Friezen onderwerpen.
Eveneens onduidelijk is hoe het zit met de zogenaamde afstammelingen van Radboud, waar in latere geschriften wel verslag van wordt gedaan, o.a in de Vita S. Radbodi uit de 10e eeuw. Bovendien gaan sommige historici ervan uit dat het steeds terugkeren van dezelfde naam erop wijst dat sprake is van een dynastie. Sommige van deze (afstammelingen) waren er zeer van overtuigd dat zij van koning Radboud afstamden.
Doop:
Radboud die zich op het laatste moment niet liet dopen; Borduursel uit (vermoedelijk) het begin van de 16e eeuw.Volgens een over Wulfram geschreven hagiografie wilde Radboud zich aanvankelijk door deze Frankische missionaris (in latere legendes ook wel door Willibrord) laten dopen, maar zag Radboud daar op het laatste moment vanaf. Net voor de onderdompeling in het doopvont vroeg Radboud aan Wulfram of het grootste deel van de Friese adel in de hemel zou zijn. Wulfram antwoordde dat dat niet het geval was, zij waren immers niet gedoopt en zouden dus in de hel verblijven. Radboud bedacht zich en liet weten dat hij dan een hiernamaals met zijn voorgangers verkoos en trok zich terug.[4][5]
Over Radboud zijn in de loop van de geschiedenis meerdere sagen en legendes ontstaan zoals Fan tha koningen Karle ende Redbad. Hoogstwaarschijnlijk behoort de passage over de doop ook tot de legendevorming.[5][6]
Trivia: Radbouds naam werd door een van zijn nakomelingen opnieuw gebruikt, namelijk bisschop Radboud van Utrecht. Op zijn beurt werd de Radboud Universiteit Nijmegen in 2004 naar hem vernoemd. Hierdoor is de heidense koning onrechtstreeks de naamgever geworden van een katholieke universiteit.[7]
De band Heidevolk schreef in 2008 ter ere van koning Radboud een gelijknaming lied. In het eerste deel komt het verhaal over de doop terug:
Wulfram, de christen, die hem bekeren wou
Beloofde hem de hemel, als hij hem dopen zou.
Doch met één been in de vont bedacht de Friese vorst zich snel;,
Trouw aan zijn verwanten ging hij liever naar de hel.
De band wil koning Radboud hiermee prijzen voor zijn trouw aan zijn voorouders, en zijn verzet tegen de kerstening. Hij zou een felle verdediger zijn geweest van het heidendom.
Zie ook Canon van Friesland
RADBOUD I, koning van Friesland, opvolger van Adgil, een man met een stout hart, vol van liefde, niet voor de vrijheden zijner onderdanen, die hij vaak op tyrannieke wijze bejegende, maar voor de zelfstandigheid zijner natie tegenover vreemdelingen en voor de onafhankelijkheid zijner koninklijke magt. Men zegt, dat hij opgevoed was aan het Hof van Denemarken en voortdurend met de Noordsche volkeren in vriendschapsbetrekkingen bleef, belust was op krijgsavonturenen gehecht aan den voorvaderlijken godsdienst. Waarschijnlijk bestonden zijne eerste regeringsdaden in het nemen van maatregelen tot het uit den weg ruimen van allen, die bij het leven van zijn voorzaat, sympathie voor de Franken hadden geopenbaard of van de hand van Wilfrid den christelijken doop hadden ondergaan. Men mag veronderstellen, dat deze maatregelen geweldig waren, daar men weet, dat Radboud, niet alleen verbanning en confiscatie van goederen, maar ook de hand des sluipmoorderaars bezigde. Na zijne naaste omgeving gezuiverd te hebben, moest hij het oog verder om zich slaan en allerwegen de hem dreigende gevaren ontdekten. Reeds hadden de Friesche stambroeders in het Zuiden het geloof van Amandusen Eligius aangenomen, en het Christendom scheen al verder aan deze zijde der Schelde door te dringen. Daarenboven was Utrecht in de handen der Franken, en zijne rijksgrooten, die voor zijne wraakzucht vloden, hadden tot dezen hun toevlugt genomen. In 679 verbrak hij de vrede met de Franken, en gesteund door Deenen en Noren, nam hij Utrecht in, en vernietigde er de laatste sporen van het Christendom. Van daar zette hij zijn zegepraal voort, totdat hij Friesland zijne voormalige grenzen had wedergegeven, en, naar men zegt, met zijne benden Nijmegen had bereikt. Hij was nu de heer des lands van de Lauwers tot het Zwin in Vlaanderen; de Schelde was de grens tusschen zijn gebied en dat der Franken. De verdeeldheid, die onder de laatsten heerschte, was oorzaak, dat Pepijn eerst in 688 met zijn geheele legermagt het grondgebied der Friezen betrad. Nu verkeerde de kans. Radboud verloor al wat zijn zwaard en goed geluk vroeger beneden den Rijn had veroverd, werd schatpligtig, moest gijzelaars geven, de vrije prediking des Christendoms gedoogen en, volgens sommigen, zelf beloven zich te laten doopen, wat hij echter niet deed. Terwijl alle maatregelen werden genomen het land voor goed te hervormen, maakte Radboud van alle gelegenheden gebruik, zich van het hem opgelegde juk te ontslaan, doch te vergeefs. Omstreeks 696 verloren de Friesen een slag bij Wijk bij Duurstede. Utrecht viel in handen van Pepijn, en Radboud werd tot diep in Friesland teruggejaagd. Sedert poogde Pepijn, Radboud nader aan zich te verbinden door het huwelijk met zijn zoon Grimbald met eene Friesche prinses Theodeswinde, Radboud's dochter. Zij werd gedoopt en het huwelijk voltrokken, maar het hart van den sluwen koning was daarmede niet verwonnen. Kort voor den dood van Pepijn viel Grimbald door de hand eens sluipmoordenaars, terwijl hij te Luik,bij het graf van den H. Lambertus voor het leven van zijnen kranken vader bad. Sommigen stellen deze zwarte daad op rekening van Radboud en zijne dochter.
Na den dood van Pepijn van Herstal, den 16 December 714, ging Radboud, schoon door gemoedskrenkingen en zwaar ligchaamslijden geknakt, een verbond aan met Raghenfried, dien het leger der Neustriërs tot hofmeijer tegenover de partij van Pepijn had verkozen, verzamelde zijne benden, en trok naar Utrecht op, joeg de Christenen op de vlugt, verwoestte de christelijke, herstelde de heidensche tempels, nam Wijk bij Duurstede in, voer in 716 met eene aanzienlijke scheepsmagt den Rijn op tot Keulen, waar hij een onverwachten aanval van Karel Martel had door te staan, en hij, beladen met oorlogsbuit, want het krijgsgeluk was aan zijne zijde geweest, naar Friesland weêrkeerde, nogmaals in Austrasië viel en kerken en kloosters vernielde. Intusschen had Karel Martel zich versterkt, ontmoette Radboud in 717 andermaal te Wijk bij Duurstede, en bragt hem een neêrlaag toe, waarvan een nieuw verdrag van onderwerping aan de Franken het gevolg was.
Radboud stierf in het volgend jaar. In zijn laatsten levenstijd scheen zijn inwendig gemoedsbestaan eenigzins veranderd; zijn hard gemoed werd eenigermate verzacht en hij wendde pogingen aan, om zich althans met sommige zijner onderdanen,die hij vroeger mishandeld en verjaagd had, te verzoenen.
Anno 674. De Oostfranken haalden Dagobert II, zoon van Sigebert, uit Ierland. Toen Wilfridus in het voorjaar van 678 Friesland had verlaten en Koning Dagobert bezocht, had hij deze vorst de belangen van de Friezen aanbevolen.
Koning Adgillus-I ( âlde gisel) van Friesland stierf in 652, maar liet een zoon, genaamd Radbodus na. Deze was aan het Deense hof gevormd, waar zijn haat tegen het Christendom steeds voedsel had gevonden. Toen hij 27 jaar oud was, werd hij de zesde Koning van Friesland met zijn residentie te Medemblik in West-Friesland.
Het eerste jaar van de regering van Koning Radbodus-I kenmerkte zich door een nieuwe watersnoodramp, waarbij ook heel Friesland werd overstroomd. Ook vielen de Denen en Noormannen het land binnen, al rovend en plunderend. Ze namen Radbodus gevangen, voerden hem mee naar Denemarken en lieten hun Stadhouder Omûnd achter. Deze beval de Friezen, als teken van slavernij, een houten halsband te dragen, hun deuren aan de Noordzijde te plaatsen en wel zo laag, dat ze moesten bukken voor de Noorse vorst.
Pas na een gevangenschap van zeven jaren, sloot Radbodus met de Koning van Denemarken een verbond van vrede en vriendschap onder ede bij de afgod Fosta, en werd hij naar Friesland overgebracht, waarna Omûnd kon terugkeren naar Denemarken.
Anno 687. Radbodus deed nu alle moeite om de Franken te bestrijden en het Christen-dom met wortel en tak uit te roeien. Hij bracht een leger bijeen en veroverde Wiltenburg, het huidige Utrecht, waar de kerk werd gesloopt. Radbodus trok door het Frankische gebied, nam de stad Nijmegen en verschillende omliggende plaatsen met geweld in, waarbij aan de poorten de tekst Huc usque Regnum Stauriae ( tot hier is het rijk van Stavoren) werd geplaatst.
Dorestad, niet ver van het huidige Wijk bij Duurstede, aan de splitsing van Lek en Kromme Rijn, was toen de belangrijkste Friese handelsplaats. De nederzetting heeft zich ontwikkeld uit een Romeins grensfort, genaamd Levefana.
Anno 687. Omstreeks deze tijd was Pepijn van Herstal alleenheerser in Oost-Frankrijk. Door vererving kreeg hij ook Brabant onder zijn beheer.

Anno 689. In de enorme veldslag bij Dorestad versloeg Pepijn de de woeste Friese Koning Radbodus en veroverde hij alle gebieden ten zuiden van de Rijn. Ook veroverde Pepijn de stad Utrecht en omliggende plaatsen en Friesland ten Westen van het Vlie. Radbodus moest nu zijn woonplaats Medemblik verlaten en zijn intrek nemen in Stavoren.
Daarna werd Radbodus gedwongen om zich geheel naar Pepijn's eisen te schikken. De eerder uit de Friese gebieden verdreven predikers werden weer ontboden om het evangelie in de op Radbodus veroverde gebieden te verkondigen. Ook zond Engeland twaalf predikers van Angel-Saxische afkomst naar Friesland. Een ervan, de apostel Willebrordus, trok eerst naar Pepijn om diens steun te krijgen. Aan deze missionaris gaf hij het oude Romeinse fort, nu de stad Utrecht, als steunpunt voor zijn zending onder de Friezen. Willebrordus werd later bisschop van Utrecht en aartsbisschop van de Friezen.
De opdracht aan de apostelen was om de afgoderij in Friesland uit te roeien. Radbodes hield zich echter niet aan de beloftes, gegeven aan Pepijn. De prediker Wigbertus liet op Ameland diverse afgodtempels verwoesten en werd daarom in opdracht van Radbodus om zeep gebracht. Radbodus bleef afkering van het Christendom, maar kon toch niet verhinderen dat zijn eigen dochter Theodosinda het Christendom omhelsde, zich liet dopen en trouwde met Grimoald, zoon van Pepijn.
Radbodus deed niet alleen alles om het Christendom te weren, maar hij probeerde ook steeds weer om het gezag van de Franken te doen verminderen. Zo werd de Friese veldoverste Gerlacius uit Warns met een leger naar Utrecht gestuurd om die stad in te nemen. Gerlacius verloor hier echter zijn leven en het Friese leger werd door Pepijn in de pan gehakt. Opgejaagd vluchtte Radbodus diep Friesland in en Pepijn trok, beladen met buit, naar huis.
Anno 693: Het verdrag tussen de Frankische koning Pepijn en koning Radboud van Friesland was wankel, maar omdat Pepijn de handen vol had in eigen land, ondernam hij niet veel om Radbodus af te straffen. Na het huwelijk van de dochter van Radboud met de zoon van Pepijn werd de laatste grootmeester aan het hof van Neustrïe, waar de elfjarige Childebert tot koning was verheven.
Intussen werd bisschop Lambertus van Luik in opdracht van Pepijn vermoord omdat hij kritiek had op diens levenswijze. Bij het graf van Lambertus bad Grimoald om het herstel van zijn zieke vader, maar werd aldaar vermoord door de Fries Ransgarius. Pepijn herstelde korte tijd en liet al de medeplichtigen aan de moord op zijn zoon ombrengen. Zeer waarschijnlijk is ook Theodosinda, de dochter van Radboud hierbij gedood, waardoor de haat tussen Radbodus en het geslacht van Pepijn des te groter werd. Pepijn overleed in het jaar 714, nadat hij Theodebald, de zoon van Grimoald en Theodosinda, had aangesteld als Groot-Hofmeester van het West-Frankische rijk, terwijl zijn nalatenschap ging naar zijn eigen zoon Karel Martel.
Anno 716: Radbodus werd overgehaald tot een bondgenootschap tegen Karel Martel om zich te wreken op het geslacht van Pepijn. Hij scheepte een leger in en voer de Rijn op naar Keulen, waar de Friezen de kleine legermacht van Karel vrijwel geheel versloegen, waarna ze met een grote buit huiswaarts togen. Gesterkt door deze zege verzamelde Radboud een nog sterker leger, voegde zich bij de macht van zijn bondgenoot Raganfrid. De verenigde legers stroopten nu geheel Oost-Frankrijk af. Keulen werd belegerd en ingenomen, waarna de overwinnaars weer op huis trokken. Raganfrid werd met zijn leger op deze terugtocht verslagen door een door Karel verborgen gehouden legertje.
Anno 717.
Karel Martel was er op belust, nu hij wat rust had gebracht in Frankrijk, om zijn vijand Radbodus, Koning van Friesland, op de knieën te krijgen. Mogelijk nog opgestookt door Willebrordus of andere geestelijken, bracht hij een talrijk leger naar Friesland. Radbout werd door die snelle tocht verrast en kon niet voldoende maatregelen nemen om zich te verweren.
Poppo, de zoon van een Friese edelman en getrouwd met een nicht van Radbout, was de bevelhebber van het inderhaast bijeengeroepen Friese leger. Aan de Middelzee troffen de legers elkaar en in een zeer hevig en bloedig gevecht sneuvelde Poppo en het grootste deel van zijn manschappen. De Franken overstroomden nu heel Friesland en verwoestten overal beelden en tempels van de heidense Goden.
Karel dwong nu de vernederde Koning Radbodus tot de belofte om het Christendom aan te nemen, predikers toe te laten, de heidense godsdienst af te zweren en om zich te laten dopen. Voldaan en met buit beladen vertrokken de Franken en Karel kon aan Willebrordus berichten dat de weg tot verkondiging van het Evangelie in Friesland open lag. Naast Willebrordus wees Karel Martel de Bisschop van Sens, genaamd Wulfran, aan om in Friesland te gaan prediken.
En, waar Willebrordus en zijn helpers in zevenentwintig jaar niet in geslaagd waren, gelukte Wulfranus in een vijftal jaren. Alleen slaagde hij er niet in om Radbodus te bewegen om het Christendom aan te nemen en zich te laten dopen. Wel lieten twee zonen van Radbout, Rodbodus en Melgerus, zich dopen. Ze stierven beiden binnen enkele dagen daarna.
Anno 717.
Al waren de zonen van Koning Radbout gekerstend, hijzelf en veel van zijn onderdanen bleven trouw aan de heidense godsdienst. Het offeren van mensen behoorde tot de plechtigheden. Eens werd, zelfs in het bijzijn van Bisschop Wulfranus, door Radbodus een jongeman ( Onno of Ovo) aangewezen om ter ere van de afgoden te "mogen" sterven. De Bisschop probeerde het offer te verhinderen, maar Radbodus antwoordde botweg, dat mensenoffers van oudsher gebruikelijk en voor al onvermijdelijk waren. Maar, vervolgde hij, als de Christengod dit leven wil sparen, dan wordt de jongeling aan Wilfranus geschonken. Terwijl de Bisschop God om hulp aanriep, werd Onno opgehangen. Toen brak het touw en de knaap werd aan Wulfranus geschonken.
Deze Onno werd later prediker van het Evangelie, eerst in Friesland. Nog vijf andere mensen, door deze afgoderij ter dood veroordeeld, konden door Wulfranus worden gered en gekerstend. Radbodus weigerde nog heel lang om zich te laten dopen. Ten langen leste, en al met één voet in het doopfont, vroeg de Koning aan de Bisschop waar de zielen van al zijn dappere voorouders en andere Friese edelen, na hun dood gebleven waren. De Bisschop antwoordde, dat allen die niet onder God en zijn zoon gestorven waren, ongetwijfeld verloren zielen waren. Toen stapte Radbout uit het doopfont en verklaarde, dat hij liever met zijn voorouders en de andere Friese helden bij Wodan wilde zijn, dan met een hoop arme christenen in het Godsparadijs. Bedroefd verliet Wulfranus Friesland, begaf zich naar het klooster Fontanelle en stierf in het jaar 720.
Radbodus kon zich weer te Medemblik vestigen. Na zijn dood werden zijn ingewanden aldaar , maar zijn lichaam werd naar de Friese hoofdstad Stavoren gebracht en met Koninklijke eer begraven.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen